Mijn plek op het tafellaken
In dit persoonlijke verhaal komen borderline, psychische crisis en gedachten aan niet meer willen leven aan bod. Lees alleen verder als je daar op dit moment ruimte voor hebt. Zoek steun als het verhaal iets bij je oproept.
In 2020 schreef ik voor Tzitzo Magazine een artikel met als titel ‘Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken’. Over hoe ik voor mijn gevoel tussen wal en schip beland was: ik was niet ‘gezond’ zoals ‘normale’ mensen, maar ik was ook niet gevaarlijk of doodziek. Ik had de diagnose dysthyme stoornis, een vorm van chronische depressie die weliswaar lang duurt, maar waar de klachten minder intens werden ervaard. Hij wordt ook vaak ‘milde depressie’ genoemd, waar voor mij lang een waardeoordeel aan vast zat: mijn leven was wel zwaar, maar het kon ook veel erger en dus moest ik mij vooral niet aanstellen.
Deze diagnose is 10 jaar lang het uitgangspunt geweest van mijn behandeling in de GGZ. En ja, ik snap dat ik niet in de zwaarste classificaties terecht kwam: ik was nooit psychotisch, agressief of (zelf-)beschadigend. Maar ik heb wel altijd het gevoel gehad dat er iets miste. Ik was niet ‘gewoon’ af en toe somber en heb meermaals aangegeven dat het uurtje therapie per week voor mij niet genoeg voelde. Dat de emmer in dat uurtje weliswaar wat leger liep, maar in de andere 167 uur juist steeds voller raakte.
Ik heb in 2019 voor het eerst een second opinion aangevraagd. De uitkomst was vrij simpel: ik was al goed bezig en moest vooral doorgaan. Toen ik informeerde naar een klinische opname werd ik enigszins verbaasd aangekeken: er werd mij letterlijk verteld dat daar vooral mensen zaten met “echt erge klachten”. In plaats daarvan was het voor mij vooral belangrijk dat dingen hetzelfde bleven: blijf je behandeling volgen, blijf werken, blijf sporten, blijf je vrienden zien, etc. Het was intens frustrerend om bij een schreeuw om hulp te horen dat je vooral maar door moest blijven gaan.
In de jaren daarna heb ik in totaal 3 keer besloten dat het te veel was en ben ik naar de huisarts gegaan om aan te geven dat het van mij niet meer hoefde en de vraag te stellen of ik daar hulp bij kon krijgen. De eerste twee keer heb ik nog geen tien minuten binnen gezeten. Ja, het was vervelend voor mij, maar er was nog zoveel mogelijk en ik was nog zo jong.
Bij de derde poging was het wel raak. En niet omdat het nou zoveel erger ging dan die keren daarvoor, maar omdat ik het anders aanpakte. De eerste keren zat ik verslagen, met gebogen hoofd aan het bureau enigszins twijfelend te zeggen dat ik het niet zo goed meer wist. Deze keer niet: ik deelde met opgeheven hoofd mee dat ik zelf bij het Expertisecentrum Euthanasie een aanvraag ingediend en sprak de wens uit dat er meegewerkt zou worden aan mijn verzoek om mijn leven te beëindigen. Voor het eerst was er een huisarts die tegen mij zei: ik zie je wens, ik neem die serieus en ik ga je helpen. Toen de aanvraagperiode mij te lang duurde en te onzeker was ben ik via deze huisarts ook bij de crisisdienst terecht gekomen. Toen kwam er eindelijk schot in de zaak. Er was een psychiater die mij aanhoorde, begrip toonde voor mijn lijden, maar ook de hoop durfde uit te spreken dat er wat hem betreft echt nog iets mogelijk was. Hij zag een persoonlijkheidsstoornis en meldde mij met voorrang aan om daarvoor behandeld te worden.
Ook dat ging niet zonder slag of stoot: voorrang betekende in werkelijkheid nog steeds een jaar wachten en ook bij de intake daar bleef mijn borderline nog buiten zicht en werd ik met twee andere stoornissen geclassificeerd. Pas nadat ik in 2025 op vakantie met mijn vriendin compleet instortte en ik in de treinreis naar huis verder ben gaan lezen over wat er nou mis met mij kon zijn viel het kwartje: ik was een borderliner. De stoornis die ik zo graag niet wilde hebben; waar ik mij later van besefte dat ik er bij de intake onbewust van weggestuurd heb. Want ik kende mensen met borderline en ik was toch niet zo erg? Ik leerde over de twee varianten en toen werd het mij allemaal duidelijk: hoeveel spanning ik in het dagelijks leven wel niet ervaar, waarom mijn behandeling tot dan toe niet voldoende aansloeg, waarom ik me steeds zo in de steek gelaten voelde en ook waarom ik zo lang onder de radar was gebleven en niet de hulp had gekregen die ik nodig had.
Deze diagnose maakte voor mij zoveel duidelijk. Dat het niet alleen maar moest gaan om het verwerken van oude pijn, maar dat er in het dagelijks functioneren zoveel gebeurt waardoor het dweilen met de kraan open is. Intussen kwam er een nieuwe crisis, waarbij er besloten is mij met spoed op een intensiever traject te zetten. Ik kwam ziek thuis te zitten, deze keer met het voornemen om echt de tijd te nemen en niet zo snel mogelijk te reïntegreren, zoals mijn vorige bedrijfsartsen steeds als doel hadden. Toen ik tegen mijn nieuwe bedrijfsarts vertelde over mijn diagnose, mijn levenseinde wens en het intensieve traject dat ik nu een jaar in zou gaan was het anders. Toen hij even tussen neus en lippen door over mijn traject de opmerking maakte “we moeten nog maar kijken of het überhaupt wel een goed idee is om in dat jaar te gaan werken” viel er een waanzinnige last van mijn schouders: eindelijk hoefde ik even niet. Ik hoefde niet verder in een leven dat al jaren niet meer draaglijk voelde. Ik zit nu vier maanden ziek thuis. Ik voel nog nauwelijks verbetering. De leegte en de bijkomende vermoeidheid zijn vaak ondraaglijk, de stress van jaren in angst leven zit heel diep in mijn zenuwstelsel geworteld. Maar ik word wel iedere dag wakker met het idee dat er geen paniek hoeft te zijn: ik hoef niks, ik kan deze ellende dragen zonder in doodsangst te hoeven zitten en mag de tijd nemen. Voor mij heeft de diagnose borderline betekend dat ik mijn plek op het tafellaken heb gekregen. Niet omdat die mij op een presenteerblaadje is aangereikt, maar omdat ik hem zelf heb ingenomen. Pas toen ik zei ‘genoeg is genoeg’ is de beweging ontstaan waar ik al jaren naar snakte. Dus om te krijgen wat ik nodig had moest ik iets doen wat erg tegen mijn karakter in ging: niet langer volgzaam zijn naar wat mij aangeraden werd, niet mijn problemen kleiner maken dan ze waren en niet het conflict vermijden waar ik bang voor was als ik een keer boos met de vuist op tafel ging slaan. Daarom is de stap naar de situatie waar ik nu in zit al helend geweest, nog voor ik met mijn behandeling ben begonnen. Want de plek op het tafellaken krijg je niet zomaar. Die heb ik moeten opeisen. Dat is geen egoïsme, aanstellerij of ‘teveel zijn’, zoals ik zo lang gevreesd heb. Het is leven in plaats van geleefd te worden. Mijn plek op het tafellaken betekent dat ik de regie over mijn leven terug heb. En die sta ik niet meer af.


