Over zelfbeschadiging

Zelfbeschadiging, ook wel automutilatie genoemd, komt vaker voor dan we denken. Niet alleen bij mensen met borderline, maar ook bij mensen met een andere stoornis of zelfs geen stoornis. Toch hangt er een soort van taboe overheen. Er wordt niet openlijk over gepraat en je loopt er meestal niet mee te koop. Je wilt dan ook het liefste dat niemand het weet omdat je je ervoor schaamt en bang bent voor de reacties van anderen. Toch is het goed om iemand in vertrouwen te nemen, een goeie vriend(in), je partner, een familielid of je hulpverlener. Zij kunnen je een helpende hand bieden en je laten merken dat je er niet alleen in bent. Soms kan het ook helpen om erover te praten met iemand die er zelf ervaring mee heeft of heeft gehad, alleen bestaat daarbij wel de valkuil dat je erdoor kan worden getriggerd.

Zelfbeschadiging uit zich in verschillende vormen en om verschillende redenen. Krassen, snijden, branden, jezelf slaan, harde objecten slaan en haar uittrekken zijn slechts een paar voorbeelden. Ook een eetstoornis en drank- en drugsmisbruik zou je eronder kunnen plaatsen, al is dat meer indirect dan de andere voorbeelden. Ik weet nog dat ik me nooit kon voorstellen dat iemand dat soort dingen kon doen, ik begreep het niet. Hoe kan iemand zichzelf blijkbaar zo haten dat diegene zichzelf opzettelijk verwondt?

Er worden verschillende redenen gegeven waarom iemand zichzelf verwondt. Inderdaad soms door zelfhaat, maar er zijn eigenlijk nog zoveel andere mogelijke redenen. Jezelf willen straffen, je afreageren (boosheid), niet kunnen omgaan met je emoties en het uiten op deze manier, iets willen voelen (bijvoorbeeld tijdens het gevoel geen grip te hebben op de realiteit) of soms zelfs om even niets te voelen. Lichamelijke pijn lijkt soms draaglijker te zijn dan geestelijke pijn.
Ik was nog maar een kind toen ik begon met mezelf te knijpen als ik heel boos of verdrietig was. Ik kon niet boos zijn op een gezonde manier, ik wist gewoon niet wat ik met het gevoel aan moest. Door mezelf te knijpen leek de boosheid minder te worden. Niemand heeft dit eigenlijk ooit geweten. Ik wist tenslotte ook niet echt wat het was.

Op mijn vijftiende begon ik met krassen (wat later snijden werd) en ontwikkelde ik een eetstoornis: anorexia. Over beide praatte ik eigenlijk weinig. Vooral over mijn eetstoornis heb ik nooit veel gepraat, misschien maar met twee mensen, maar dit heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de hulpverlening het absoluut niet serieus nam.
Uiteindelijk heb ik vooral mijn moeder in vertrouwen genomen. Zij was voor mij mijn vertrouwenspersoon. In het begin reageerde ze boos. Toen begreep ik dat niet, nu, vele jaren later, kan ik begrijpen dat ze boos werd. Waarschijnlijk voelde ze zich ook machteloos en hoopte ze met die reactie mij zo te laten schrikken dat ik het niet meer zou doen. Deze aanpak werkte helaas averechts; ik deed het nog steeds, met als groot verschil dat ik het haar niet meer vertelde. Dit zorgde ervoor dat ik me heel erg alleen voelde. Soms nam ik een vriend of vriendin in vertrouwen, maar zij leken het allemaal niet echt te begrijpen en dat was nou juist waar ik naar op zoek was: iemand die me begreep en me niet meteen voor gek verklaarde.

Toch heb ik mijn moeder weer in vertrouwen genomen en we hebben er samen over gepraat. Ze sprak met mij wat af en persoonlijk denk ik dat dat ook de juiste aanpak is geweest voor mij. Ze zei: ‘Ik wil graag dat je naar me toe komt voordat het gebeurt, zodat we het kunnen voorkomen, maar soms lukt dit niet en dat weet ik. Als het dan toch gebeurt, kom dan daarna naar me toe en dan kunnen we erover praten om te kijken waarom het is gebeurd en samen kijken of we het misschien de volgende keer wel kunnen voorkomen.’ Dit zorgde ervoor dat ik zelfs mijn mesjes heb ingeleverd op den duur. Zelfs meerdere malen, aangezien ik het niet altijd vol kon houden. Ik wilde de mogelijkheid hebben om het te kunnen doen, maar dan zelf besluiten om het toch niet te doen. Helaas werkte dit natuurlijk niet altijd. Door het mijn moeder te vertellen had ik het gevoel dat ik een keuze had die ik zelf kon maken: het haar vertellen of niet, haar de mesjes geven of niet. En dat zorgde ervoor dat ik het haar ging toevertrouwen. Bij anderen had ik al dingen meegemaakt als: ‘Als je het nog een keer doet verbreek ik de relatie/vertel ik het je moeder etc.’ en zelfs iemand die het mes afpakte nadat ik een smoes had verteld. Maar deze dingen zorgden er alleen maar voor dat ik diegene niet meer vertrouwde en dus ook nooit meer wat vertelde.
Ik heb veel aan mijn moeder gehad. Ik voelde me begrepen. Misschien dat ze nooit helemaal zal weten hoe het precies voor mij voelde, maar ze had begrip, geen oordeel en stond voor me klaar. Natuurlijk heb ik het haar niet altijd verteld als het weer was gebeurd, ik wilde haar geen pijn doen. Het lijkt me namelijk heel erg moeilijk om te zien dat iemand in je omgeving waar je zo veel om geeft, het zo moeilijk heeft met zichzelf en het leven. En ja, ik had ook moeite met mezelf en het leven. Soms was ik zo boos dat ik mezelf wilde straffen voor fouten die ik had gemaakt, soms om de pijn te voelen (je kan er verslaafd aan raken), maar vooral vaak omdat ik een manier zocht om mezelf te kunnen uiten en zoals ik al eerder schreef: de lichamelijke pijn leek dragelijker.

Jarenlang ben ik ermee doorgegaan en was ik trots op mezelf als ik het een dag niet had gedaan. Ondertussen leerde ik hoe ik met mijn emoties om kon gaan. Dit was moeilijk om te leren en nog steeds lukt het me niet altijd om er op de juiste manier mee om te gaan. Ik heb er veel gehad aan het ‘van me af schrijven’, het zorgde voor afleiding en het was even uit mijn hoofd. Op den duur kon ik er meer over praten met mensen die ik vertrouwde en merkte ik dat er meer mensen waren die het deden en dat er mensen waren die voor me klaar stonden en me niet voor gek verklaarden. Langzamerhand begon ik mensen te vertrouwen met dit probleem. Door erover te praten (en over andere problemen en dingen die het veroorzaakten) is het langzamerhand minder geworden en heb ik de mesjes allemaal weggegooid. Het was een moeilijk proces, maar een dat het waard is om voor te vechten.
Vandaag de dag kan ik trots zeggen dat ik het al heel erg lang niet meer heb gedaan. Natuurlijk zijn de gedachtes eraan niet weg en de drang is er soms ook nog. Maar ik weet nu hoe ik daar beter mee om kan gaan. Onder andere door afleiding te zoeken, te schrijven en over dingen te praten die me bezig houden. Dit houdt ook in dat ik soms naar iemand toe moet gaan en aan moet geven dat ik die drang heb, maar het niet wil doen. Samen kijken we vervolgens naar wat we kunnen doen om het niet te doen; soms een gesprek, maar soms ook gewoon samen even iets leuks doen om mijn gedachten op iets anders te brengen. Ik lieg als ik zeg dat ik het nooit meer zal gaan doen, dit weet ik namelijk niet. Ik kan niet in de toekomst kijken, maar ik kan wel zeggen dat ik mijn best ga doen en me 200% inzet om het nooit meer te laten gebeuren.

Hier zit ik dan, achter mijn computer met een t-shirtje aan. Iets wat ik jarenlang nooit heb kunnen doen. Littekens zitten er en zullen nooit meer weg gaan, dat weet ik. Maar ik heb er vrede mee. Het is een stukje verleden dat ik achter me heb liggen. Iets wat ik overwonnen heb. Ik vind het soms nog steeds moeilijk om in de zomer zonder mouwen te lopen: bang voor reacties van mensen en dan probeer ik het angstig te verbergen. Ik heb bewondering voor mensen die dit zonder angst kunnen en hoop ook op dat punt te kunnen komen. Maar daar ga ik aan werken en ik weet zeker dat er ooit een dag komt dat ik naar buiten loop en zonder nadenken kan zeggen: ‘goh… heerlijk h�, dat zomerse weer.’

Terug naar het overzicht